Wie samen oud wordt, zorgt vaak vanzelf voor elkaar. Een boodschap doen, helpen met aankleden, de medicijnen klaarzetten: het gebeurt zonder dat je erover nadenkt. Maar als je partner ziek wordt, dementie krijgt of na een val minder kan, wordt die zorg soms een dagtaak. Veel ouderen noemen zichzelf dan nog steeds geen mantelzorger, terwijl ze dat wel zijn.
Juist omdat de zorg voor een partner zo vanzelfsprekend voelt, wordt hulp vaak pas gezocht als het eigenlijk al te zwaar is. Toch kan je gemeente op verschillende manieren bijspringen. In dit artikel lees je welke mogelijkheden er zijn en hoe je de eerste stap zet.
Wat de Wmo voor jullie kan betekenen
De Wet maatschappelijke ondersteuning, kortweg de Wmo, regelt dat gemeenten mensen helpen om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Denk aan huishoudelijke hulp, een scootmobiel, een traplift, aanpassingen in de woning of begeleiding overdag. Deze ondersteuning is bedoeld voor je partner, maar ze verlicht ook jouw taken.
Je meldt je aan bij het Wmo-loket of het sociaal wijkteam van je gemeente. Daarna volgt meestal een gesprek, vaak het keukentafelgesprek genoemd. Een consulent bekijkt samen met jullie wat er nodig is en wat jullie zelf nog kunnen. Zorg dat jij als partner bij dat gesprek aanwezig bent en eerlijk vertelt hoeveel je doet en hoe het met je gaat.
Gemeenten gaan uit van zogenaamde gebruikelijke zorg: wat je normaal voor je partner doet, zoals samen het huishouden draaien. Als jouw zorg verder gaat dan dat, of als je het niet meer volhoudt, hoort de gemeente daar rekening mee te houden. Voor de meeste Wmo-voorzieningen betaal je een eigen bijdrage.
Goed voorbereid op het gesprek
Een keukentafelgesprek gaat sneller dan je denkt. Het helpt om vooraf op te schrijven wat er op een gewone dag gebeurt. Je hebt ook recht op gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning: iemand die met je meedenkt en eventueel bij het gesprek aanschuift.
- Noteer welke taken je dagelijks en ‘s nachts doet
- Beschrijf eerlijk hoe moe of belast je je voelt
- Neem een overzicht van medicijnen en diagnoses mee
- Vraag om een schriftelijk verslag van het gesprek
- Laat iemand meekijken, zoals een kind of cliëntondersteuner
Respijtzorg: even op adem komen
Respijtzorg betekent dat de zorg tijdelijk wordt overgenomen, zodat jij even rust hebt. Dat kan een paar uur per week zijn, maar ook een weekend of een week. Voorbeelden zijn dagbesteding voor je partner, een vrijwilliger die thuis komt oppassen, of een logeerhuis waar je partner een paar nachten verblijft.
Veel mensen voelen zich schuldig bij het idee om de zorg uit handen te geven. Toch is respijtzorg juist bedoeld om het vol te houden. Wie nooit pauze neemt, raakt sneller overbelast, en daar heeft je partner uiteindelijk ook geen baat bij. Afhankelijk van de situatie wordt respijtzorg geregeld via de Wmo, de zorgverzekeraar of de Wet langdurige zorg. Het steunpunt mantelzorg kan uitzoeken wat in jullie geval geldt.
Het steunpunt mantelzorg in je buurt
Bijna elke gemeente heeft een steunpunt mantelzorg, soms ondergebracht bij een welzijnsorganisatie. Je kunt er terecht voor advies, een luisterend oor en praktische informatie over regelingen. Veel steunpunten organiseren ook lotgenotengroepen, cursussen en bijeenkomsten, bijvoorbeeld speciaal voor partners van mensen met dementie of Parkinson.
Daarnaast keren veel gemeenten jaarlijks een mantelzorgwaardering uit, zoals een geldbedrag, een cadeaubon of een uitje. Hoe dat werkt en of je je ervoor moet aanmelden, verschilt per gemeente. Het steunpunt weet hoe het bij jou geregeld is. Wil je daarnaast eens rondkijken bij vragen die andere ouderen stellen over zorg, geld en gezondheid, dan vind je op www.seniorenvragen.nl nog meer informatie over uiteenlopende onderwerpen.
Let ook op jezelf
Zorgen voor je partner verandert je relatie. Je bent niet meer alleen echtgenoot of levensgezel, maar ook verzorger, regelaar en soms verpleegkundige. Dat kan eenzaam voelen, zeker als vrienden minder langskomen of je zelf weinig de deur uit komt.
Signalen als slecht slapen, snel geïrriteerd zijn, weinig eten of nergens meer zin in hebben, zijn een teken dat je grens in zicht komt. Bespreek dat met je huisarts. Die kan meedenken, doorverwijzen naar een praktijkondersteuner en helpen om extra zorg te regelen voordat het misgaat.
